Willem Maris, geboren te Den Haag op 18 februari 1844 en aldaar overleden op 10 oktober 1910, was een kunstenaar van veelzijdige begaafdheid. Niet slechts als schilder, maar ook als tekenaar, etser en aquarellist heeft hij zijn sporen verdiend. Zijn betekenis reikte verder dan zijn eigen oeuvre; hij behoorde tot de medeoprichters van de “Hollandsche Teekenmaatschappij”, een initiatief dat getuigt van zijn betrokkenheid bij de bredere artistieke gemeenschap van zijn tijd. Zijn werk, doortrokken van een diep gevoel voor het Hollandse landschap, weerspiegelt een harmonie tussen natuur en kunst, waarin het alledaagse verheven wordt tot iets tijdloos.
“Kunstenaars, het vaderland van Rembrandt waardig, herscheppend in licht en leven.”
Deze herformulering behoudt de kern van het opschrift, maar geeft het een meer reflectieve en historisch geladen toon, zoals een cultuurhistoricus het zou benaderen. Het benadrukt de verbinding tussen de kunstenaars en de erfenis van Rembrandt, terwijl het een zekere diepgang en waardering voor hun bijdrage aan de Nederlandse cultuur uitstraalt.
In de schaduw van de Haagse straten, de Zuilingstraat en later de Lange Lombardstraat, ontvouwde zich het leven van een man wiens bestaan nauw verweven was met de tijdgeest van de late negentiende eeuw. Geboren in een gezin van zes kinderen, als zoon van Mattheus Marris en Hendrika Bloemert, groeide hij op te midden van de bescheiden maar levendige atmosfeer van Den Haag. In 1872 trad hij in het huwelijk met Maria Jacoba Visser, een verbintenis die kortstondig geluk bracht maar ook verdriet: een zoon, Simon Willem, werd in 1873 geboren, terwijl een tweede zoon, Willem Jacobus, slechts een maand zou leven. Na het overlijden van zijn eerste vrouw vond hij opnieuw troost in een huwelijk, ditmaal met Johanna Anthonia Gijsberta van Bijlevelt. Uit deze verbintenis kwamen twee dochters voort, Johanna Wilhelmina en Elisabeth Florence Amalia, wier levenspaden evenzeer getekend zouden worden door de wisselvalligheden van hun tijd. Zo weerspiegelt zijn levensverhaal niet slechts een persoonlijk lot, maar ook de bredere sociale en culturele patronen van een tijdperk in transitie.
In de schaduw van de grote meesters van de Haagse School groeide een kunstenaar op wiens penseel de tederheid van het Nederlandse landschap wist te vangen. Willem Maris, de jongste telg uit een artistiek geslacht, leerde het ambacht van zijn oudere broers Jacob en Matthijs en ontving zijn eerste vorming aan de Haagse Academie, waar hij de raadgevingen van Pieter Stortenbeker ter harte nam. Zijn vroege jaren brachten hem naar Oosterbeek, het Nederlandse Barbizon, en Wolfheze, waar hij zich verdiepte in het schilderen van de natuur, een liefde die hem nooit meer zou verlaten. In 1855 ontmoette hij Anton Mauve, een geestverwant in het vastleggen van licht en atmosfeer. Zijn naam vestigde zich in 1863, toen hij in Den Haag voor het eerst exposeerde. Reizen door de Rijnstaten en een bezoek aan Noorwegen verrijkten zijn blik, maar uiteindelijk zou hij zich blijvend vestigen in Den Haag, waar hij in alle rust zijn oeuvre voltooide.
Zijn penseel wist de zachte nevel boven de weilanden en het spel van licht op water te vangen met een bijna muzikale gevoeligheid. In zijn landschappen klinkt een verstilde harmonie, een samenspel van natuur en emotie dat de kern van de Haagse School belichaamt. Op 65-jarige leeftijd sloot hij in Den Haag voorgoed zijn ogen en vond hij zijn laatste rustplaats op Oud Eik en Duinen. Zijn zoon Simon zette de familietraditie voort, en diens zoon Thijs vereeuwigde het schilders geslacht in woord.



Leave a Comment