Michelangelo Buonarroti (1475–1564): De Constructie van een Renaissance-Icoon
Michelangelo Buonarroti — geboren als Michelagnolo di Lodovico Buonarroti Simoni in het Toscaanse Caprese — belichaamde als geen ander de uomo universale van de Italiaanse renaissance. Schilder, beeldhouwer, architect, dichter: zijn veelzijdigheid was even legendarisch als zijn temperament. Zijn David (1504) en het plafond van de Sixtijnse Kapel (1508–1512) gelden niet toevallig als iconen van de westerse cultuur, symbolen van een tijdperk waarin kunst en wetenschap, klassieke idealen en christelijke devotie samensmolten. Maar achter het genie schuilt een complexe figuur, wiens leven en nalatenschap al tijdens zijn eigen bestaan tot mythevorming leidden — een proces waarin kunst, macht en persoonlijke ambities onlosmakelijk verweven raakten.
De Mens Achter de Mythe: Biografie als Machtsinstrument
Michelangelo’s status als levende legende was uniek. Nog tijdens zijn leven ontstond er een ware biografische industrie rondom zijn persoon, een fenomeen dat in de 16e eeuw vrijwel ongekend was. De humanist Paolo Giovio schreef reeds in de jaren 1540 een schets van de kunstenaar, waarin hij hem neerzette als een “door God bezielde wildeman” — een beeld dat Michelangelo’s reputatie als ongeleid projectiel voedde, maar ook zijn goddelijke inspiratie benadrukte. Deze tweeslachtigheid (genie versus excentriekeling) zou een rode draad worden in zijn postume reputatie.
De invloedrijkste biografie kwam echter van Giorgio Vasari, die Michelangelo in Le Vite delle più eccellenti pittori, scultori e architettori (1550) kroonde tot het “hoogtepunt van de renaissance”. Vasari’s hagiografische benadering — waarin hij Michelangelo als erfgenaam van Giotto en Brunelleschi presenteerde — was niet louter kunsthistorisch, maar ook politiek. Als hofkunstenaar van de Medici’s bevestigde hij zo Florence’s culturele suprematie. Michelangelo, zich bewust van de manipulatieve kracht van zo’n narratief, reageerde door via zijn leerling Ascanio Condivi een geautoriseerde versie van zijn leven te laten optekenen (1553). Condivi’s Vita di Michelangelo Buonarroti corrigeerde Vasari’s Florentijnse chauvinisme en benadrukte instead de kunstenaars eigen agency: zijn afkomst, zijn worstelingen met opdrachtgevers, en zijn liefde voor de beeldhouwkunst als goddelijke roeping.
Deze rivaliteit tussen Vasari en Condivi onthult de renaissancebiografie als een strijdperk van cultureel kapitaal. Toen Vasari zijn Vite herschreef voor de editie van 1568, incorporeerde hij schatplichtig aan Condivi’s werk — een tactische zet om zijn eigen autoriteit te behouden. Het resultaat was een hybride narratief dat tot ver in de 19e eeuw Michelangelo’s canonieke beeld bepaalde.
Het Persoonlijke als Politiek: Brieven en Gedichten
Michelangelo’s eigen stem klinkt het luidst in zijn Rime (circa 300 gedichten) en brieven (bijna 500 stuks). Deze teksten — vaak rauw en introspectief — bieden een tegenwicht aan de geïdealiseerde biografieën. Zijn poëzie, doordrenkt van neoplatoonse spiritualiteit en homo-erotische verlangens (zoals in zijn sonnetten aan Tommaso dei Cavalieri), verraadt een man die worstelde met zijn geloof, zijn kunst en zijn eenzaamheid. In brieven aan familieleden klaagt hij over financiële zorgen en de tirannie van opdrachtgevers (denk aan paus Julius II, die hem “de Sixtijnse Kapel in joeg als een slavenarbeider”).
Toch zijn ook deze bronnen niet vrij van zelf-mythologisering. Michelangelo cultiveerde in zijn correspondentie zorgvuldig het beeld van de “geplaagde kunstenaar” — een trope die Vasari en Condivi gretig overnamen. Zijn klachten over “onbegrepen genialiteit” en “verraad door rivalen” (zoals Rafaël) waren niet slechts persoonlijke ontboezemingen, maar strategieën om zijn positie in het culturele veld te verstevigen.
De Onsterfelijkheid van een Mythe
Michelangelo’s leven illustreert hoe renaissancekunstenaars actief deelnamen aan de constructie van hun eigen erfgoed. Zijn biografieën, brieven en gedichten vormden samen een gesamtkunstwerk waarin kunst, identiteit en macht samenvloeiden. Zelfs zijn dood in 1564 — waarbij zijn lijk stiekem uit Rome werd gesmokkeld om in Florence begraven te worden — werd een theaterstuk over eer en roem.
.





Leave a Comment