In de dynastieke vertakkingen van het Huis Nassau, dat in de zestiende eeuw in de stormen van de geschiedenis werd meegezogen, verschijnt de naam van Maria van Nassau als een stille, doch niet onbeduidende schakel. Geboren op 7 februari 1556 te Breda, kwam zij ter wereld in een tijdperk waarin de Nederlanden hun lot langzaam maar onherroepelijk zagen verknoopt raken met de strijd om vrijheid en geloof. Haar vader, Willem van Oranje, zou als de spil van die worsteling de geschiedenis ingaan, terwijl haar moeder, Anna van Egmont, als erfdochter van aanzienlijke bezittingen de politieke positie van haar echtgenoot versterkte. Als derde kind en tweede dochter van dit huwelijk groeide Maria op in een milieu waar de adel niet slechts een stand, maar een plicht was, een roeping om de familie-eer en het vaderlands belang te dienen.
Haar naam, zorgvuldig gekozen, droeg de herinnering aan Maria van Hongarije, de invloedrijke zuster van keizer Karel V en landvoogdes der Nederlanden, wier scherpe politiek en sterke karakter haar tot een figuur van belang in de Habsburgse machtsstructuren maakten. Het was deze Maria die, na het vroegtijdig overlijden van Anna van Egmont in 1558, het voogdijschap over haar naamgenote en haar broer Filips Willem op zich nam. Aan haar hof vond de jonge Maria een opvoeding die niet alleen paste bij haar stand, maar die haar ook in aanraking bracht met de verfijnde, doch strenge hofcultuur van de Habsburgers.
In haar woonplaats Buren heeft Maria van Nassau, gravin van Buren en dochter van Willem van Oranje, zich opvallend ingezet voor liefdadigheid. Ze toonde een diepgaande betrokkenheid bij het welzijn van de lokale bevolking door zich actief in te zetten voor armenzorg, het ondersteunen van zieken en het bevorderen van onderwijs. Haar inzet voor de minderbedeelden was niet alleen een uiting van mededogen, maar ook een weerspiegeling van haar verantwoordelijkheidsgevoel als adellijke vrouw. Maria liet hiermee zien dat ze niet alleen een bestuurlijke rol vervulde, maar ook een sociale, waarbij ze haar positie gebruikte om de levensomstandigheden van de inwoners van Buren te verbeteren. Haar liefdadigheid werd gewaardeerd en droeg bij aan haar reputatie als een zorgzame en betrokken gravin.
De onstuimige loop der gebeurtenissen liet echter niet toe dat Maria haar vorming in die sfeer voltooide. Toen de politieke dreigingen zich in de jaren zestig van de zestiende eeuw steeds nadrukkelijker begonnen af te tekenen, werd de familie Nassau uiteengerukt door de gevolgen van de opstand. In 1567, toen de hertog van Alva met harde hand het gezag van Filips II in de Nederlanden herstelde en Willem van Oranje zich genoodzaakt zag zijn toevlucht in Duitsland te zoeken, verliet Maria de vertrouwde omgeving waarin zij was opgegroeid en volgde haar vader naar het slot Dillenburg. Daar, in het stamslot van de Nassaus, bevond zij zich te midden van een familie die, hoewel van adellijke oorsprong, zich steeds meer in de rol van rebellen tegen de Spaanse kroon gedrongen zag.
De verdere jaren van haar leven voltrokken zich grotendeels buiten het strijdtoneel, in de sfeer van familiebanden en dynastieke belangen. Als gravin van Buren, een titel die zij na de dood van haar moeder erfde, bekleedde zij een positie van respect, al lag haar invloed in de schaduw van de politiek die door haar broers werd gedreven. Op 10 oktober 1616 overleed zij te Buren, een stille getuige van een tijdperk waarin de naam Nassau voor altijd verbonden werd met de wording van de Nederlandse natie.
In de lange en kronkelige kroniek van het Huis Nassau neemt Maria van Nassau een plaats in die haar niet enkel als een erfgename, maar ook als een bemiddelaarster tussen haar twistende verwanten kenmerkt. Waar de mannen van haar geslacht de oorlog kozen als hun levenspad, vond Maria haar rol in diplomatie en rechtvaardigheid, in een poging de gescheurde familielijnen bijeen te houden. De lotgevallen van haar broer Filips Willem raakten haar diep. Als jonge prins was hij door Filips II naar Spanje gevoerd, een gijzelaar in een politiek schaakspel waarin het Spaanse hof hoopte zijn trouw aan de koning te verzekeren. Maria liet hem niet in de vergetelheid raken en zette zich onvermoeibaar in voor zijn vrijlating, een strijd waarin haar stem klonk te midden van de harde klappen der dynastieke belangen. Later, toen Filips Willem eindelijk naar de Nederlanden terugkeerde, vond Maria zich opnieuw aan zijn zijde in de verbitterde strijd met haar halfbroers Maurits en Frederik Hendrik over de nalatenschap van hun vader. Waar Maurits, de door de Republiek gekoesterde veldheer, de kant van de opstand koos en een pragmatische koers voer, hield Filips Willem vast aan zijn status als Spaans onderdaan, gevormd door de jaren van ballingschap in Madrid. Maria, geworteld in de familietraditie, koos zonder aarzeling voor haar oudste broer, geleid door trouw en de overtuiging dat het recht zijn loop moest hebben, zelfs te midden van de stormen der geschiedenis.
Op 7 februari 1595, in een tijd waarin de Republiek haar strijd tegen Spanje met wisselend succes voerde, trad Maria in het huwelijk met graaf Filips van Hohenlohe, een veldheer die de Republiek diende, doch wiens naam meer met roekeloze daden dan met grote overwinningen verbonden was. Zijn reputatie was die van een ruwe krijgsman, niet van een bedachtzame staatsman, en hun verbintenis bleef kinderloos.
Na de dood van haar echtgenoot in 1606 wijdde Maria zich aan een ander, rustiger doch niet minder betekenisvol streven. In 1612, in de stad Buren, stichtte zij een weeshuis, een getuigenis van de zorg die zij niet enkel voor haar familie, maar ook voor de wezen van haar land droeg. Dit huis, waarin de echo’s van haar goedgunstigheid eeuwenlang weerklonken, zou tot in de moderne tijd zijn functie behouden, zij het in andere gedaanten.
Maria’s laatste jaren waren gekenmerkt door berusting en toewijding aan haar landgoederen. In 1616 sloot zij haar ogen in de stad die zij met haar werken had gediend. Haar stoffelijk overschot vond op 23 oktober zijn rust in de grafkelder van haar Egmondse voorouders, in de Sint-Lambertuskerk te Buren—een stille afsluiting van een leven dat gewijd was aan de eer van haar huis en de harmonie tussen de vertakkingen van haar familie.



Leave a Comment