In de zeventiende eeuw, een tijdperk waarin de Hollandse Republiek haar hoogtepunt beleefde en de kunsten zich verhieven tot een ongekende bloei, werd in Rotterdam een man geboren wiens naam slechts in de schaduw van de grote meesters is blijven staan, doch die in zijn tijd niet zonder aanzien was: Heyman Dullaert. Op 6 februari 1636 zag hij het levenslicht in een stad die, hoewel minder bezongen dan het nabijgelegen Amsterdam, een broedplaats vormde voor talent en ambitie. Dullaert was een man van twee gaven: de schilderkunst en de dichtkunst, beide evenzeer vervlochten met de geest van zijn tijd.
Zijn penseelvoering werd gevormd onder de hoede van Rembrandt, de meester wiens chiaroscuro de ziel van het Hollandse licht en donker wist te vatten. In de voetsporen van deze grootmeester ontwikkelde Dullaert een techniek die zich met name manifesteerde in het trompe-l’oeil, die kunstzinnige illusie waarin de grens tussen schijn en werkelijkheid wordt opgeheven, waarin het oog wordt misleid en de toeschouwer een moment van verwondering beleeft. Zijn werken, zij het minder talrijk en minder beroemd dan die van zijn leermeester, vonden toch hun weg naar de verzamelingen van de liefhebbers der kunst, en nog altijd zijn enkele van zijn schilderijen te bewonderen, onder meer in het Kröller-Müller Museum.
Maar zijn geest vond niet louter voldoening in het beeld; ook het woord bood hem een uitlaatklep, en zo werd hij naast schilder ook dichter. Zijn poëzie, minder fel en hartstochtelijk dan die van de grote Vondel of de scherpzinnige Hooft, ademt toch diezelfde atmosfeer van bedachtzaamheid en verstilling. Hij bewoog zich in een literaire traditie die de schoonheid van taal en de harmonie van klank op waarde wist te schatten, en in zijn verzen weerspiegelt zich een gevoeligheid die zijn kunstenaarschap als geheel kenmerkte.
Het leven van Dullaert voltrok zich zonder de grootse dramatiek die men bij sommigen zijner tijdgenoten aantreft. Geen hofintriges, geen verbanningen, geen roemruchte schandalen tekenen zijn biografie. Hij leefde en werkte, zag de Republiek in haar gloriedagen en kende de schoonheid van een kunstzinnige vorming in een tijdperk dat de schilderkunst en de literatuur tot haar voornaamste sieraden rekende. Op 6 mei 1684 nam de dood hem in stilte weg uit de stad waar hij geboren was. Zijn naam moge niet tot de allergrootsten behoren, zijn werk draagt nog altijd de echo van een tijdperk waarin de kunst een wezenlijke stem in de samenleving had, en waarin zelfs zij die in de schaduw stonden, deel uitmaakten van een groter geheel dat de wereld versteld deed staan.
Hij vond zijn laatste rustplaats in de Prinsenkerk te Rotterdam, een kerk die in de vuurzee van het bombardement van 1940 ten onder ging.





Leave a Comment