Frederik Willem (Friedrich Wilhelm), geboren in het Berliner Stadtschloss te Cölln op 16 februari 1620 en overleden te Potsdam op 9 mei 1688, regeerde als keurvorst van Brandenburg en hertog van Pruisen over Brandenburg-Pruisen van 1640 tot aan zijn dood. Zijn bewind markeerde een cruciale periode in de vorming van de Pruisische staat, waarin hij door pragmatisch bestuur en militaire hervormingen de grondslag legde voor de latere opkomst van Pruisen als Europese mogendheid.
In de Hollandse Oorlog (1672) koos hij partij voor de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in hun strijd tegen Lodewijk XIV. Keizer Leopold I, Spanje en Denemarken sloten zich bij hem aan. Bij Halberstadt vond de ontmoeting plaats met de keizerlijke troepen, geleid door Raimondo Montecuccoli, een moment van strategische samenwerking in een tijd van geopolitieke spanning.
In de kronieken van de Europese politiek van de zeventiende eeuw neemt Frederik Willem van Brandenburg, bijgenaamd “de Grote Keurvorst”, een plaats in als een vorst die met vooruitziende blik en krachtdadig bestuur de contouren van de Pruisische macht uittekende. Afkomstig uit het illustere Huis Hohenzollern, belichaamde hij de synthese van de oude feodale autoriteit en de nieuwe economische dynamiek die in de schaduw van de Dertigjarige Oorlog opbloeide.
Zijn diepgewortelde calvinistische overtuiging, zeldzaam onder de Duitse vorsten van zijn tijd, vond weerklank in de opkomende handelsgeest die de fundamenten van de Pruisische staat zou versterken. In de schaduwen van het verwoeste Europa na de Vrede van Westfalen (1648) herkende hij het belang van een goed georganiseerde economie en een sterk gecentraliseerd bestuur als bouwstenen voor een moderne staat. Zijn bewind werd dan ook gekenmerkt door een consequente stimulering van de handel, het aantrekken van migranten—met name de Hugenoten—en een subtiele maar vastberaden consolidatie van de landsheerlijkheden die onder zijn gezag stonden. Zijn buitenlandse politiek was niet minder ambitieus dan zijn binnenlandse hervormingen, doch getekend door de wisselvalligheden van de Europese machtsverhoudingen. Met schijnbaar ondoorgrondelijke strategieën smeedde hij allianties en verbrak ze weer met een koele berekening die zijn dynastie moest versterken. Toch bleef een wezenlijke territoriale expansie uit; de geopolitieke realiteit van het zeventiende-eeuwse Europa maakte het onmogelijk voor een opkomende mogendheid als Brandenburg-Pruisen om zonder aanzienlijke offers zijn grenzen te verleggen. Toch zou één verworvenheid zich als een symbool van zijn staatsmanschap in de annalen van de Pruisische geschiedenis nestelen: de soevereiniteit over Oost-Pruisen. Tot 1660 was dit gebied een Pools leen, een overblijfsel van de middeleeuwse machtsstructuren die Brandenburgs aspiraties in het Oosten beperkten. In de context van een Europa waarin feodale banden steeds meer plaatsmaakten voor soevereine staten, was de bevrijding van dit gebied een bekroning van zijn politieke inspanningen. Deze handeling, hoewel in eerste instantie van symbolisch belang, zou de weg bereiden voor de uiteindelijke transformatie van Brandenburg-Pruisen tot een koninkrijk—een erfenis die zijn opvolger, Frederik I van Pruisen, in 1701 zou verwezenlijken.
Zo legde de Grote Keurvorst, met een scherp besef van de tijdsomstandigheden en een vastberadenheid die de Hohenzollern-dynastie nog eeuwen zou kenmerken, de fundamenten voor de opkomst van Pruisen als een van de leidende machten van Europa.
Frederik Willem, de Grote Keurvorst
In de lange schaduwen die de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) over het Duitse Rijk wierp, groeide in het door rampspoed geteisterde Brandenburg een vorst op wiens beleid de contouren van een nieuwe orde zou tekenen. Frederik Willem, zoon van keurvorst Georg Willem en Elisabeth Charlotte van de Palts, werd geboren in een tijd waarin de ontwrichting van oorlog en de dreiging van militaire overheersing de fundamentele wetten van het staatsbestuur herschreven. Terwijl zijn geboorteland onder de laarzen van Albrecht von Wallenstein’s troepen zuchtte, vond de jonge erfprins zijn intellectuele vorming in de Nederlanden, waar hij tussen 1634 en 1637 studeerde aan de Universiteit van Leiden. Daar kwam hij in aanraking met de bestuurlijke en militaire methoden van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, die hem een inzicht verschaften in de kracht van een goed georganiseerd staatsapparaat en een gedisciplineerd leger.
Toen Frederik Willem in 1640 de troon van Brandenburg besteeg, trof hij een land aan dat verzwakt en uitgeput was door de oorlog. De verwoestingen waren immens: plunderingen, ontvolkte dorpen en de dreiging van honger en chaos bepaalden het lot van zijn onderdanen. In dit decor van verval en crisis toonde hij de kenmerkende daadkracht die hem later de bijnaam “de Grote Keurvorst” zou opleveren. Geïnspireerd door het Nederlandse voorbeeld, begon hij aan een reeks hervormingen die het fundament zouden leggen voor de Pruisische grootmacht in de eeuwen die volgden. Het bestuur werd gecentraliseerd, de economie gereorganiseerd en nieuwe belastingheffingen ingesteld. Bovenal erkende hij de noodzaak van een sterk en permanent leger. Wat aanvankelijk begon met een staande strijdmacht van 6.000 man, groeide in de loop van zijn bewind uit tot een indrukwekkende krijgsmacht van 28.000 soldaten – een instrument van soevereiniteit en gezag waarmee hij de versnipperde macht in zijn vorstendom wist te bedwingen. Met het sluiten van de Vrede van Münster (1648) wist hij niet alleen de vrede te herstellen, maar ook de territoriale macht van Brandenburg te vergroten. Achter-Pommeren, Minden, Halberstadt en de voogdij over Maagdenburg werden aan zijn domeinen toegevoegd. Maar waar zijn gezag in de internationale arena groeide, botste hij op het binnenlandse toneel met een tegenstrever die in de Duitse gebieden al eeuwen de politieke koers bepaalde: de landadel. De machtige junkers, de grootgrondbezitters van Brandenburg en Pruisen, hielden hardnekkig vast aan hun feodale voorrechten en verzetten zich tegen de centralisatie van de keurvorst. Frederik Willem zag zich genoodzaakt concessies te doen om zijn hervormingen te laten slagen. In 1653, bij een bijeenkomst van de Landdag van Brandenburg, verkreeg hij de broodnodige steun voor zijn hervormingen, maar in ruil daarvoor werden de junkers beloond met eigen bevoegdheden op hun landgoederen, inclusief het recht om politie en rechtspraak uit te oefenen. Dit pact betekende een blijvende machtsbalans tussen de vorst en de aristocratie, een dynamiek die Brandenburg-Pruisen nog lange tijd zou kenmerken.
Maar hoewel de keurvorst zijn hervormingen met diplomatie en pragmatisme doorvoerde, schuwde hij de confrontatie niet wanneer zijn gezag werd uitgedaagd. In 1679 leverde dit een schokkend precedent op. Toen kolonel von Kalkstein, een lid van de junkerklasse, openlijk in opstand kwam tegen het vorstelijk gezag in Oost-Pruisen, greep Frederik Willem meedogenloos in. Hij liet Kalkstein oppakken in Warschau, overbrengen naar Pruisen en op zijn bevel in Memel onthoofden. Het was een daad van vorstelijk absolutisme die een duidelijke boodschap zond: het gezag van de keurvorst was niet onderhandelbaar. Frederik Willem was een vorst van zijn tijd, gevormd door de chaos van oorlog en de lessen van pragmatisch staatsmanschap. In de eeuwen die volgden, zou zijn nalatenschap niet alleen in de geschiedenis van Brandenburg-Pruisen voortleven, maar ook als een blauwdruk dienen voor het absolute koningschap dat in de achttiende eeuw zijn hoogtepunt zou bereiken.

Leave a Comment