Edmond Willem van Dam van Isselt, geboren te Breda op 20 februari 1796 en overleden te Geldermalsen op 9 februari 1860, was een man van vele gaven. Als militair, politicus en dichter bewoog hij zich met gemak tussen de sferen van daadkracht, bestuur en verfijning. Zijn verdiensten werden bekroond met het ridderschap in de Militaire Willems-Orde, een eer die zijn moed en toewijding onderstreepte. In hem verenigden zich de geest van de strijder en de ziel van de dichter, een combinatie die hem tot een markante figuur maakte in het Nederland van zijn tijd.
Van Dam van Isselt verdiepte zich in het dossier over de concessie tot vervening van de Middelpolder te Amstelveen (1830/31) en kocht vervolgens een omvangrijk landbezit. In 1841 bezat hij circa 100 hectare grond, die hij tot zijn overlijden behield.
Edmond van Dam van Isselt: Landjonker, Strijder en Staatsman
In de kroniek van het negentiende-eeuwse Nederland doemt het beeld op van Edmond van Dam van Isselt, een figuur geworteld in de Gelderse adel, gevormd door de krijg, en gesmeed in de politieke smederijen van zijn tijd. Hij was een man die in de overgang van de oude naar de nieuwe orde wist te balanceren tussen aristocratische traditie en moderne staatsmanskunst. Zijn leven, gesitueerd in de West-Betuwe, was doordrenkt van militaire plicht, bestuurlijke verantwoordelijkheid en een diepgeworteld gevoel voor de eer van zijn stand. Afkomstig uit een geslacht van landjonkers, werd hij geboren als zoon van Willem van Dam van Isselt, een patriot van Utrechtse komaf, wiens lot werd meegevoerd in de woelingen van de patriottentijd. In de roerige jaren 1780, toen de politieke strijd in de Republiek de oude structuren deed wankelen, zag zijn vader zich gedwongen naar Breda uit te wijken, een schakel in de lange keten van ballingschappen die de patriotten verdeelde en verstrooide. Maar waar de vader de stormen van de politiek onderging, koos de zoon voor het pad van de krijg.
Edmond van Dam van Isselt trad reeds op jonge leeftijd toe tot het leger, gedreven door een roeping die zijn familiegeschiedenis hem in de genen had gelegd. Hij was een kleinzoon van een generaal-majoor en zou zelf de wapens hanteren in de strijd die het lot van Europa bepaalde. De Slag bij Waterloo (1815), die het Napoleontische tijdperk afsloot en het machtsevenwicht herstelde, kende hem als een van de jonge officieren die zich begaven in de maalstroom van kanongebulder en bajonettenstormen.
Maar niet alleen op de velden van Waterloo zou hij zich onderscheiden. In 1831, ten tijde van de Tiendaagse Veldtocht, trad hij naar voren als commandant van het Korps vrijwillige jagers van Van Dam, een eenheid die zich in de strijd tegen de Belgische afscheiding kenmerkte door dapperheid en militaire discipline. Dit corps, samengesteld uit gelijkgestemde patriotten en officieren, had in zijn gelederen ook een zekere Daniël de Vos Brouwer, wiens naam resoneerde in de kringen van nationale en militaire eer. Voor zijn verdiensten in deze veldtocht werd Van Dam van Isselt onderscheiden met de Militaire Willems-Orde, de hoogste eer die het jonge Koninkrijk der Nederlanden aan zijn krijgers kon verlenen. Maar Van Dam van Isselt was meer dan een militair; hij was een bestuurder, een vertegenwoordiger van de oude adellijke klasse die zich een plaats moest veroveren in het nieuwe staatsbestel. Vanuit zijn zetel op kasteel Ravesteyn in Geldermalsen speelde hij een rol in het bestuur van de West-Betuwe, waar zijn naam voortleefde als een hoeder van het plaatselijke belang en de tradities van zijn stand.
Zijn loopbaan bracht hem uiteindelijk in de politieke arena, waar hij als lid van de Tweede en Eerste Kamer de belangen van Gelderland en de natie diende. Daar, in de vergaderzalen waar de toekomst van het koninkrijk werd bezegeld, zou hij zijn stem laten klinken met de gravitas van een man die zowel de strijd als de wet kende. In hem kwam de overgang van de oude ridderschap naar het constitutionele staatsbestel tot uitdrukking – een belichaming van een generatie die de echo’s van het Ancien Régime hoorde weerklinken, maar zich moest voegen naar de nieuwe ordening van de negentiende eeuw.
Van Dam van Isselt: Patriot en Polemist in een Tijd van Omwenteling
In de overgangsjaren van de negentiende eeuw, toen de monarchale instituties wankelden onder de roep om vrijheid en hervorming, stond Van Dam van Isselt als een man van principes en overtuiging. Zijn levensloop weerspiegelt niet slechts de contouren van een individuele loopbaan, maar die van een tijdvak waarin de oude orde haar gezag zag afbrokkelen en een nieuwe geest van constitutionele hervorming en burgerlijke vrijheden aan kracht won. Geboren in een tijd waarin het koninklijk gezag nog onaantastbaar leek, koos hij aanvankelijk voor de intellectuele weg. In 1812 ving hij zijn studies aan te Utrecht, een bastion van geleerdheid, waar de klassieke eruditie samenvloeide met de vroegmoderne idealen van staatsbestuur en recht. Tegelijkertijd ontwaakte in hem een passie voor de letteren, die hem zou leiden tot een vruchtbare literaire loopbaan. Reeds in 1816 verscheen zijn dichtbundel Eerstelingen, de eerste in een lange reeks publicaties waarmee hij zich een plaats veroverde binnen de literaire kringen van zijn tijd.
Maar het was niet de wereld van de poëzie alleen die zijn geest in beweging bracht. De stormen van de geschiedenis riepen hem naar een ander strijdtoneel: de politiek. In de jaren twintig vestigde hij zich op het landgoed Ravestein nabij Geldermalsen, waar hij niet slechts als landheer zijn rol vond, maar ook als staatsman. In eerste instantie actief binnen de Provinciale Staten van Gelderland, beklom hij in 1829 de tribune van de Tweede Kamer, waar zijn scherpe geest en onbuigzame karakter al snel tot uiting kwamen. Zelfstandig, onconventioneel en fel gekant tegen de katholieke invloed, ontwikkelde hij zich tot een van de meest markante oppositieleden tegen de politiek van koning Willem II. De constitutionele strijd van de negentiende eeuw vond in hem een onvermoeibare deelnemer. Toen in 1840 de koning een beperkte herziening van de Grondwet voorstelde, schaarde hij zich aan de zijde van Thorbecke, die met zijn liberale inzichten een verdergaande hervorming nastreefde. Vier jaar later, in 1844, was hij een van de ‘Negenmannen’, die een diepgravender herziening van het staatsbestel voorstelden – een voorteken van de revolutionaire omwenteling die zich in 1848 zou voltrekken. Zijn politieke strijd werd niet slechts gevoerd in de vergaderzalen van de Staten-Generaal, maar evenzeer met de pen. Als een onvermoeibare polemist publiceerde hij pamfletten en brochures, waarin zijn felle, soms meedogenloze stijl hem vele vijanden opleverde. In 1846 richtte hij anoniem het politieke eenmansblad Wespen op, een strijdschrift waarin hij met bijtende spot en ongezouten kritiek katholieken en andere politieke tegenstanders aanviel.
Toen in 1848 de Grondwet werd aangenomen, stemde hij vóór, wetende dat de hervormingen onafwendbaar waren. Desondanks trok hij zich in 1849 tijdelijk terug uit de Kamer. De man die jarenlang het politieke gevecht niet had geschuwd, verdween korte tijd uit de arena, slechts om in 1852 terug te keren, ditmaal als lid van de Eerste Kamer – een instituut dat hij zelf ooit als een nutteloze hindernis voor de vooruitgang had betiteld.
Zijn politieke carrière mag dan getekend zijn door grote constitutionele debatten, ook in de kleine, maar symbolisch beladen kwesties toonde hij zich een man van karakter. In 1845 dreigde de soldij van de ridders van de Militaire Willems-Orde te worden wegbezuinigd. Mr. L.C. Luzac stelde voor de jaarlijkse uitkering – in dat jaar ruim tachtigduizend gulden – te schrappen. Maar Van Dam van Isselt, wiens verontwaardiging even groot was als zijn retorische kracht, bestreed het voorstel met een felle rede. De Willemsorde, zo betoogde hij, was geen gunst maar een beloning voor moed, een eerbewijs dat niet met financiële kille bezuiniging mocht worden ontnomen aan hen die hun leven op het spel hadden gezet. “Zou de Kamer,” zo vroeg hij retorisch, “de dappere het vooruitzicht op enig loon, waardoor hij verkwikt zal worden in de dagen van zijn grijsheid, afnemen?” Zijn vurige pleidooi redde de soldij, die tot op de dag van vandaag wordt uitbetaald.
Zo bleef Van Dam van Isselt tot het einde een vechter, een man van principes, wiens nalatenschap niet alleen ligt in de wetten die hij hielp vormen, maar ook in de geest van onwrikbare overtuiging waarmee hij zijn tijd tegemoet trad.


Leave a Comment