Aletta Henriëtte Jacobs (geboren op 9 februari 1854 in Sappemeer – overleden op 10 augustus 1929 in Baarn) was een baanbrekende Nederlandse arts, feministe en pacifiste. Ze was een pionier op het gebied van vrouwenrechten en speelde een cruciale rol in de strijd voor gelijkheid, sociale hervormingen en vrede.
Aletta Henriëtte Jacobs was de eerste vrouwelijke arts in Nederland en tevens de eerste vrouw die officieel als huisarts praktiseerde. Ze doorbrak talloze barrières voor vrouwen in de medische wereld en speelde een baanbrekende rol in de strijd voor gelijke rechten, zowel in de gezondheidszorg als in de maatschappij. Haar werk en inzet maakten haar niet alleen een pionier in de geneeskunde, maar ook een icoon van de vrouwenemancipatie in Nederland.
In het noorden van het land, in het verstilde Sappemeer, werd Aletta Jacobs geboren als telg uit een geslacht dat geleerdheid en maatschappelijke betrokkenheid hoog in het vaandel droeg. Als achtste van elf kinderen groeide zij op in een gezin waarin de praktijk van de geneeskunde samenging met een diepgeworteld besef van verantwoordelijkheid voor de samenleving. Haar vader, Abraham Jacobs, heel- en vroedmeester, bezat een ambachtelijke bekwaamheid die met een haast klassieke roeping gepaard ging. In dit milieu, doortrokken van het besef dat kennis zowel een plicht als een voorrecht was, ontwaakte in de jonge Aletta het verlangen om te breken met de onwrikbare grenzen die het vrouwelijk bestaan bepaalden. Zij behoorde tot een geslacht dat niet schroomde nieuwe wegen te betreden. Haar broer Eduard zou de eerste Joodse burgemeester van Nederland worden, haar zus Charlotte de tweede vrouw die een academische opleiding voltooide. Maar het was Aletta die de meest onwrikbare poorten zou openbreken. In een tijd waarin het vanzelfsprekend was dat de intellectuele sfeer een voorrecht van mannen bleef, verzette zij zich tegen het adagium dat een vrouw slechts in de beslotenheid van het huisgezin haar bestemming vond.
Haar eerste schreden op het pad der geleerdheid brachten haar in 1870 naar de Rijks Hogere Burgerschool in haar geboorteplaats. Dit instituut, een toonbeeld van negentiende-eeuwse onderwijshervormingen, was tot dan toe uitsluitend een domein voor jongens geweest. Haar aanwezigheid binnen de muren van deze instelling was een breuk met de bestaande orde, een voorbode van een strijd die zich in bredere kringen zou voortzetten. Een jaar later wendde zij zich tot de liberale staatsman Thorbecke met een verzoek dat op zichzelf reeds een daad van rebellie was: de toelating tot de universiteit. De brief, eenvoudig in bewoordingen doch revolutionair in strekking, is bewaard gebleven in het Algemeen Rijksarchief. Het antwoord van de minister, niet gericht aan de jonge vrouw zelf, maar aan haar vader—een formaliteit die het juridische onvermogen van de vrouw in deze tijd onderstreepte—bevatte een voorwaardelijke toestemming. Zo trad Aletta in 1871 toe tot de Rijksuniversiteit Groningen, aanvankelijk slechts voor een proefperiode van een jaar. Met deze stap werd de geschiedenis van het hoger onderwijs in Nederland onherroepelijk veranderd. Wat begon als een eenzame poging tot doorbraak, zou uitgroeien tot een beweging die de positie van de vrouw in de samenleving herdefinieerde. Aletta Jacobs trad in de schaduw van geen voorgangster—zij schiep haar eigen precedent.
Toen de dagen van Thorbecke ten einde liepen, werd hem een verzoek voorgelegd dat de echo vormde van een maatschappelijke omwenteling: Aletta Jacobs verzocht niet slechts te mogen studeren, maar ook om haar bekwaamheid middels examens te bewijzen. In een laatste gebaar, een besluit dat een diepere betekenis kreeg in de schaduw van zijn sterfbed, verleende de oude staatsman haar die toestemming. Daarmee was de weg vrij voor een voltooiing die in de geschiedenis van het Nederlandse onderwijs zijn weerga niet kende.
Jacobs was niet de eerste vrouw die een universiteit betrad; eeuwen eerder had de geleerde Anna Maria van Schurman een uitzonderingspositie bekleed binnen de academische wereld. Maar het was Aletta Jacobs die de eerste werd die niet slechts als curiosum, maar als volwaardig geleerde de eindstreep haalde. In de jaren 1877 en 1878 legde zij haar artsexamen af, waarmee zij de eerste vrouwelijke arts van Nederland werd—een feit dat, in de context van de negentiende-eeuwse samenleving, nauwelijks overschat kon worden. De drang tot verdere verdieping voerde haar over de Noordzee naar Londen, een stad die in deze periode het kloppende hart was van zowel medische vooruitgang als sociale hervorming. In de gangen van het Saint Mary’s Dispensary—een instelling waarin de idealen van vrouwelijke emancipatie en medische zorg samenkwamen—bekwaamde zij zich verder in de geneeskunde, specifiek in de zorg voor vrouwen en kinderen. Hier trad zij in contact met Elizabeth Garrett Anderson, de pionier die in Groot-Brittannië als tweede vrouw de medische professie had betreden. Het was via deze kringen dat Jacobs in aanraking kwam met Millicent Fawcett, een naam die zou uitgroeien tot een van de voornaamste symbolen van de strijd voor vrouwenkiesrecht. Maar Londen had haar meer te bieden dan enkel academische verdieping. Door haar metgezel Carel Victor Gerritsen werd zij geïntroduceerd in de wereld van de sociale hervormers, intellectuelen die zich inzetten voor een maatschappij vrij van achterstelling en ongelijkheid. In de salons van deze denkers ontmoette zij figuren als Annie Besant en Charles Bradlaugh, radicale stemmen die haar blik op de maatschappelijke werkelijkheid scherpten. Het was echter Charles Robert Drysdale die haar leidde naar een confrontatie met een van de donkere schaduwen van de moderne stad: de prostitutie. In de steriele vertrekken waar vrouwen onderworpen werden aan medisch onderzoek, kreeg zij een blik op een wereld waarin armoede, uitbuiting en moralistische hypocrisie samenkwamen. Deze ervaring liet in haar een overtuiging ontbranden die haar verdere levensloop zou bepalen.
Terug in Nederland zette zij haar werk voort, niet slechts als medicus, maar als hervormster. In Amsterdam opende zij haar praktijk, waar de deuren niet enkel opengingen voor de bevoorrechten, maar waar ook de armen wekelijks gehoor vonden. In deze spreekuren werd niet enkel naar klachten geluisterd, maar werd ook onderricht gegeven—een radicaal idee in een tijd waarin vrouwelijke gezondheid veelal een onderwerp was dat aan het toeval werd overgelaten. Haar betrokkenheid bij maatschappelijke kwesties ging verder dan haar praktijk. Zij sloot zich aan bij de vrijdenkersvereniging De Dageraad, een gezelschap dat zich verzette tegen dogma’s en de rede als hoogste goed beschouwde. Binnen deze kringen groeide haar overtuiging dat de rechten van de vrouw onlosmakelijk verbonden waren met kennis over haar eigen lichaam. In dit licht vond zij haar rol binnen de Nieuw-Malthusiaanse Bond, een beweging die zich inzette voor geboortebeperking als instrument van sociale vooruitgang. In haar praktijk introduceerde zij het pessarium—een voorheen uitsluitend medisch hulpmiddel dat zij herdefinieerde als middel tot zelfbeschikking.
Deze stappen, hoe kleinschalig ze in eerste instantie ook leken, legden de fundamenten voor een bredere maatschappelijke verandering. Aletta Jacobs was niet slechts een arts die vrouwen behandelde, maar een stem die de vrouwen een recht toekende dat hun tot dan toe was ontzegd: de autonomie over hun eigen leven en lichaam. Haar strijd zou de samenleving niet onberoerd laten. De geschiedenis van de negentiende en vroege twintigste eeuw kent figuren wier levensloop niet slechts een persoonlijke strijd weerspiegelt, maar een bredere maatschappelijke omwenteling symboliseert. Een van deze figuren was Aletta Jacobs, wier naam onlosmakelijk verbonden zou worden met de eerste feministische golf in Nederland. Haar strijd voor vrouwenrechten was niet slechts een zaak van idealisme, maar een gestage en vasthoudende confrontatie met de wet en de instituties die de maatschappelijke orde bewaakten. Aanvankelijk leek de Nederlandse kieswet geen expliciet onderscheid te maken tussen man en vrouw; het enige criterium om te mogen stemmen was een bepaalde loongrens. Aletta Jacobs, als arts en daarmee financieel onafhankelijk, voldeed aan deze eis en achtte zich gerechtigd haar stem uit te brengen. In samenspraak met haar geestverwanten, Titia van der Tuuk en Elise Haighton, ondernam zij de poging om haar burgerrecht op te eisen. Het antwoord van de autoriteiten liet weinig aan duidelijkheid te wensen over: waar het recht ambigu was, zou het expliciet worden vastgelegd. Met de herziening van artikel 80 van de Grondwet werd het vrouwen uitdrukkelijk verboden aan de verkiezingen deel te nemen. Daarmee had Jacobs onbedoeld niet alleen de grenzen van de wet op scherp gesteld, maar ook de politieke machthebbers gedwongen hun uitsluiting van vrouwen openlijk te erkennen. Als voorzitter van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht ontpopte zij zich tot een onvermoeibare pleitbezorger van de emancipatie. Haar strijd beperkte zich niet tot de Nederlandse landsgrenzen: zij nam deel aan de congressen van de Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht en speelde een sleutelrol in de internationale organisatie van de beweging. Toen de oorlogsdreiging in Europa oplaaide en de geplande bijeenkomst van 1915 in Berlijn geen doorgang kon vinden, zette zij zich, samen met Rosa Manus en Mia Boissevain, in voor een alternatief: het Internationaal Congres van Vrouwen in Den Haag. Dit congres, bijgewoond door meer dan twaalfhonderd afgevaardigden uit een twaalftal landen, werd een cruciaal moment in de internationale vredesbeweging. De vastberadenheid waarmee zij zich inzette voor vrede en diplomatie bracht haar in hetzelfde jaar naar de Verenigde Staten, waar zij samen met enkele gelijkgezinden een audiëntie wist te verkrijgen bij president Woodrow Wilson. Daar legde zij een voorstel voor dat de kerngedachte van haar politiek activisme belichaamde: de oprichting van een League of Neutral Countries, een verband van onpartijdige staten die de rol van bemiddelaar op zich konden nemen in het conflict dat Europa had verscheurd.
Haar persoonlijke leven weerspiegelde haar onorthodoxe maatschappelijke opvattingen. In 1884 verbond zij zich in een zogenoemd vrij huwelijk met de radicaal-liberale politicus Carel Victor Gerritsen. Pas in 1892, onder de druk van juridische en praktische bezwaren, formaliseerde het paar hun verbintenis. Maar ook hier toonde Jacobs haar standvastigheid: de destijds verplichte huwelijksgelofte van gehoorzaamheid aan haar echtgenoot sprak zij slechts onder protest uit. Gerritsen had een diepgaande invloed op haar intellectuele en politieke ontwikkeling. Via hem vond zij haar weg naar de kringen van vrijdenkers en vrijmetselaars, en raakte zij betrokken bij het neomalthusianisme—een denkrichting die geboortebeperking als instrument van maatschappelijke vooruitgang beschouwde. Haar engagement beperkte zich niet tot Nederland en Europa. De oorlogen en crises van haar tijd lieten haar niet onberoerd. Tijdens de Tweede Boerenoorlog in Zuid-Afrika sprak zij zich uit tegen de Britse politiek en de concentratiekampen waarin vrouwen en kinderen van de Boeren werden ondergebracht. Evenzo zou de Eerste Wereldoorlog haar opnieuw tot een fervent voorvechter van vrede maken, zowel binnen als buiten Nederland. In de jaren 1911-1912 ondernam zij, samen met de Amerikaanse feministe Carrie Chapman Catt, een wereldreis met een doel dat verder reikte dan persoonlijke verrijking: zij wensten de rechten van vrouwen wereldwijd te bevorderen. Gedurende anderhalf jaar doorkruisten zij Europa, Afrika en Azië, met tussenstops in Palestina, Ceylon, India, Java, de Filipijnen, China, Korea en Japan. Uit deze onderneming vloeide een omvangrijk werk voort, waarin Jacobs haar ervaringen en inzichten vastlegde, terwijl Catt haar dagboeken vulde met observaties over de toestand van vrouwen wereldwijd.
Eind september 1919 werd het vrouwenkiesrecht in Nederland definitief verankerd in de wet—een triomf waarvoor Aletta Jacobs zich onvermoeibaar had ingezet. Haar strijd eindigde niet met deze overwinning. Tot aan haar laatste dagen zou zij blijven pleiten voor vrouwenrechten en voor de grote idealen die haar leven hadden beheerst: rechtvaardigheid, gelijkheid en vrede. Reeds tijdens haar leven kreeg Aletta Jacobs erkenning als een figuur van blijvende betekenis, een pionier wier naam niet slechts verbonden zou blijven aan haar tijd, maar zou voortleven in de herinnering van latere generaties. Dit besef leidde ertoe dat men reeds in 1959 eer betoonde aan haar nalatenschap met een gedenksteen aan de gevel van haar voormalige woonhuis aan de Tesselschadestraat in Amsterdam. Het was een initiatief van de Amsterdamse afdeling van de Vereniging van Staatsburgeressen—een eerbetoon dat haar strijd voor vrouwenrechten in de publieke ruimte verankerde.
Toch is het lot van herinneringsplaatsen een grillig en vergankelijk gegeven. In 2011 werd de staat van haar grafsteen op de begraafplaats Westerveld, ontworpen door de beeldhouwster Gra Rueb, een punt van zorg. Diverse groeperingen, waaronder het instituut voor vrouwengeschiedenis dat haar naam draagt, spanden zich in om deze tastbare herinnering aan haar leven en werk te behoeden voor verval. De officiële erkenning van haar historische betekenis kreeg in 2006 een institutionele vorm met haar opname in de Canon van Nederland. De commissie die deze canon samenstelde, plaatste haar naam temidden van vijftig kernmomenten uit de Nederlandse geschiedenis—een gebaar dat bevestigde dat haar werk een blijvende invloed had op de maatschappelijke ontwikkeling van het land. Ook in Groningen, de stad waar zij als eerste Nederlandse vrouw haar universitaire studie voltooide, bleef haar nalatenschap springlevend: in 2008 kreeg zij een plaats in de Canon van Groningen en werd een kamer in het Universiteitsmuseum aan haar gewijd. Daarnaast prijken haar beeltenis en naam in een van de gedenkramen van het Academiegebouw van de Rijksuniversiteit Groningen—een monument in glas, waarin haar doorzettingsvermogen en intellect als een blijvend licht worden vereerd.
Haar persoonlijke archief, een verzameling brieven, notities en geschriften die getuigen van haar rol als arts, hervormster en strijder voor vrouwenrechten, kreeg in 2017 een plaats op de Werelderfgoedlijst van de UNESCO. Hiermee werd het erkend als een document van uitzonderlijke waarde, een schakel in de geschiedenis van de wereldwijde emancipatiebeweging, en sindsdien bewaard en toegankelijk bij Atria, kennisinstituut voor emancipatie en vrouwengeschiedenis. De blijvende resonantie van haar leven en werk blijkt niet slechts uit geschreven documenten of gedenktekens, maar ook uit de wijze waarop haar naam blijft voortleven in de culturele verbeelding. In 2014 werd een musical aan haar gewijd, een dramatische verbeelding van haar leven die op de planken werd gebracht op de dag dat de Rijksuniversiteit Groningen de Aletta Jacobsprijs uitreikte.
Deze prijs, in het leven geroepen in 1990, wordt eens in de twee jaar toegekend aan vrouwen die zich verdienstelijk hebben gemaakt op het gebied van emancipatie. In deze uitreiking schuilt een dubbele erkenning: enerzijds de viering van een hedendaagse voortrekker, anderzijds de bevestiging van Jacobs’ voortdurende invloed als inspirerend voorbeeld. De universiteit onderstreept hiermee dat zij niet slechts een naam uit het verleden is, maar een blijvende inspiratiebron voor allen die de emancipatiegedachte verder dragen.





Leave a Comment