Klimaat en Cultuur: Klimaat als Schepper van de Wereldgeschiedenis
Door: Rinus van Hagen
Binnenkort ligt mijn nieuwe boek in de winkel: Klimaat en Cultuur: Klimaat als Schepper van de Wereldgeschiedenis. Een werk waarin ik een van de belangrijkste, maar vaak onderbelichte krachten achter de ontwikkeling van de menselijke beschaving centraal stel: het klimaat. In dit boek toon ik aan hoe klimaatschommelingen niet slechts randvoorwaarden waren, maar wezenlijke motoren achter sociale omwentelingen, culturele bloeiperioden en zelfs religieuze opwekkingen.
Een persoonlijk project
Dit boek is geen vrijblijvende intellectuele exercitie. Als cultuurhistoricus ben ik gefascineerd door de diepere krachten die culturen vormen. We weten al langer dat bijvoorbeeld de agrarische revolutie van 10.000 jaar geleden sterk afhankelijk was van klimatologische stabiliteit. Maar hoe zit het met de opkomst van het Sumerische schrift, de ondergang van het Romeinse Rijk, of de verspreiding van het christendom in Europa?
In Klimaat en Cultuur: Klimaat als Schepper van de Wereldgeschiedenis leg ik het verband tussen klimatologische verschuivingen en historische kantelpunten. Soms subtiel, vaak confronterend. Ik kijk daarbij niet alleen naar bekende gebeurtenissen, maar leg ook verrassende patronen bloot in gebieden en tijdperken die zelden met klimaatgeschiedenis worden geassocieerd.
De centrale these
Mijn centrale stelling is eenvoudig en radicaal tegelijk: zonder inzicht in klimaatveranderingen begrijpen we slechts een deel van de geschiedenis. Dit boek laat zien dat culturele bloeiperiodes — zoals het klassieke Griekenland, de Gouden Eeuw van de islam, of de Renaissance — mede mogelijk werden gemaakt door gunstige klimatologische omstandigheden. Omgekeerd leidde klimaatverslechtering regelmatig tot verval, migraties, oorlogen en religieuze crises.
Ik heb dit boek geschreven vanuit de overtuiging dat klimaat niet louter een decor vormt waartegen het menselijke toneel zich afspeelt, maar een actieve kracht die culturele richtingen bepaalt. Klimaat schept, beïnvloedt en vernietigt. Van de neolithische dorpen van Doggerland tot de klimaatcrisis van de 21ste eeuw: het klimaat is een stille, maar meedogenloze architect van de beschaving.
Sneak preview: Enkele pagina’s uit het boek
Hieronder vind je een voorpublicatie van enkele pagina’s:
Voorwoord
Lessen uit het Verleden voor een Verhitte Toekomst
Wij bevinden ons op een kantelpunt in de geschiedenis. Het Antropoceen, het tijdperk waarin de mens de aarde naar zijn hand heeft gezet, confronteert ons met een schrijnende paradox: nooit eerder hadden we zoveel kennis over klimaatverandering, en toch lijken we steeds machtelozer om haar gevolgen te beheersen. Maar dit is niet het eerste keer dat de mensheid in zo’n situatie verkeert. De relatie tussen de mens en het klimaat is zo oud als de eerste akkerbouw, de eerste geïrrigeerde delta, en de eerste stad die ten onder ging aan droogte.
Dit boek neemt u mee op een reis door die vergeten geschiedenis—een geschiedenis die niet is opgetekend in steen of perkament, maar in de lagen van ijskernen, sedimenten en de ruïnes van rijken die verdween.
Het verleden als Spiegel
Als cultuurhistoricus ben ik altijd gefascineerd geweest door de vraag: Waarom overleefden sommige samenlevingen klimaatveranderingen, terwijl anderen ten onder gingen? Het antwoord ligt niet in simpele verhalen over ‘natuurgeweld’ of ‘menselijk falen’, maar in de complexe interactie tussen ecosystemen en sociale structuren. Kijk bijvoorbeeld naar de Maya’s, wiens steden in de 9e eeuw verlaten werden na eeuwen van langdurige droogtes. Hun ondergang was geen onvermijdelijk lot, maar het gevolg van een samenspel van factoren: ontbossing die de erosie verergerde, politieke verdeeldheid die het vermogen tot collectieve actie verlamde, en een religieuze elite die vastklampte aan rituele offers in plaats van aanpassingsstrategieën. Tegelijkertijd floreerden samenlevingen in het Nabije Oosten tijdens dezelfde droogte, dankzij innovaties in wateropslag en handelsnetwerken die de schaarste compenseerden.
Deze contrasten onthullen een diepgaande waarheid: klimaatverandering is nooit slechts een natuurlijk fenomeen. Het is een culturele, economische en morele uitdaging. De manier waarop een samenleving haar relatie met de natuur definieert—als een vijand die overwonnen moet worden, als een goddelijke gave, of als een symbiotische partner—bepaalt haar veerkracht.
Een Brug Tussen Disciplines en Eeuwen
Als cultuurhistoricus haal ik mijn kennis uit kleitabletten, tempelreliëfs en oude reisverslagen; een klimatoloog uit boomringen, koraalarchieven en CO₂-concentraties in ijskernen. Deze gecombineerde benadering onthult een verrassende conclusie: oude samenlevingen waren vaak beter in staat om klimaatverandering te monitoren dan wij tegenwoordig. De Akkadiërs in Mesopotamië hielden nauwkeurige gegevens bij over rivieroverstromingen, en koppelden deze aan hun rituele oogstceremonies. Vandaag, in een tijdperk van satellieten en algoritmes, lijkt onze verbinding met natuurlijke cycli juist te verwateren.
De geschiedenis van de mensheid is geen op zichzelf staand verhaal. Zij is verweven met de dynamiek van de natuur, de cycli van het klimaat en de onvermijdelijke wetten van ecologie en energie. Wanneer wij de opkomst en ondergang van beschavingen bestuderen, kijken wij niet alleen naar koningen en keizers, oorlogen en uitvindingen, maar ook naar de diepere structuren die onze wereld vormden—van het klimaat dat landbouw mogelijk maakte tot de ecosystemen die steden voedden.
In de afgelopen eeuwen hebben we als mensheid indrukwekkende vooruitgangen geboekt, maar tegelijkertijd hebben we ook talloze waarschuwingen van de natuur genegeerd. Terwijl we ons omarmen in de schijnbare triomfen van technologie en wetenschap, staan we nu aan de rand van een nieuw keerpunt. Het Antropoceen[1], het tijdperk waarin menselijke activiteit het wereldklimaat en de ecosystemen in toenemende mate bepaalt, confronteert ons met een paradox: hoe kunnen wij, die zulke geavanceerde beschavingen hebben gecreëerd, zo schadelijke sporen nalaten in de natuur? De geschiedenis biedt ons een cruciaal inzicht: de beschavingen die in het verleden zichzelf vernietigden door ondoordachte exploitatie van hun natuurlijke omgeving, bieden ons zowel waarschuwingen als lessen voor de toekomst.
Dit boek nodigt de lezer uit om de bredere context van de menselijke geschiedenis te begrijpen, van de eerste menselijke nederzettingen tot de hedendaagse wereld. Het onderzoekt hoe beschavingen door de eeuwen heen niet alleen hun fysieke grenzen hebben verlegd, maar ook hoe ze concepten van macht, rijkdom, en vooruitgang hebben vormgegeven—steeds binnen de beperkingen die de natuur hen stelde. We zien bijvoorbeeld hoe de opkomst van de landbouw, die de fundering legde voor de vroege beschavingen, gepaard ging met diepgaande veranderingen in het milieu. Het omarmen van de landbouwtechnieken die de industriële revolutie mogelijk maakten, had verregaande ecologische gevolgen die we pas in de 20e eeuw ten volle begonnen te begrijpen.
Door deze grotere geschiedenis te bestuderen, krijgen we niet alleen inzicht in de oorzaken van de huidige milieucrisis, maar ook de middelen om een andere toekomst te smeden. In de confrontatie met klimaatverandering, verlies van biodiversiteit en de uitputting van hulpbronnen, zijn we niet slechts slachtoffers van de technologie die we hebben gecreëerd, maar ook de architecten van ons eigen lot. Het is juist in deze historische continuïteit—tussen de beslissingen van voorouders en de keuzes die wij vandaag maken—dat we onze weg kunnen vinden naar een duurzamere toekomst.
In de loop van de geschiedenis zijn er talloze momenten geweest waarop mensen in staat waren om hun koers te veranderen, te regenereren en zich opnieuw met de natuur te verbinden. Van de opkomst van ecologische denkbeelden in het oude China, de organische landbouw in de middeleeuwen, tot de Renaissance, waarin de mensheid een nieuw bewustzijn van de natuur omarmde, zijn er vele voorbeelden van hoe cultuur en ecologie hand in hand kunnen gaan. Dit boek wil niet alleen het verleden documenteren, maar ook de grondslagen leggen voor een nieuwe manier van denken—een manier waarin de relatie tussen mens en natuur wederzijds en regeneratief is, in plaats van exploitief en destructief.
De geschiedenis is geen lineair proces van onafgebroken vooruitgang, maar een verhaal van herhalingen, transformaties en vernieuwingen. Het laat ons de dramatische gevolgen zien van vergeten of verkeerd begrepen milieu-impact en herinnert ons eraan dat wij als mensheid niet losstaan van de natuur, maar er deel van uitmaken. In dit boek onderzoeken we hoe het begrijpen van deze historische dynamieken ons kan helpen om hedendaagse ecologische uitdagingen aan te pakken—door een nieuw verhaal van symbiose, wederopbouw en duurzame vooruitgang te omarmen.
In dit grote narratief van de geschiedenis, waarin de menselijke beschavingen zich uitstrekken van het verre verleden tot de toekomst die we gezamenlijk willen vormgeven, ligt de sleutel tot onze overleving. Wat wij leren van het verleden, bepaalt niet alleen ons begrip van de huidige wereld, maar ook hoe we die wereld, en onszelf, in de toekomst zullen zien. Het verleden spreekt tot ons in waarschuwingen en mogelijkheden, en het is aan ons om die lessen te begrijpen en te integreren in onze manier van leven.
Een Oproep tot Klimaatrealisme
Dit boek is geen pessimistische aanklacht, maar een pleidooi voor klimaatrealisme: de erkenning dat menselijke beschavingen altijd hebben moeten omgaan met klimaatverandering, zowel in samenwerking met als in verzet tegen de natuur. De vraag is niet of we ons zullen aanpassen, maar hoe we dat gaan doen.
Tijd in Beweging: Van Korte Momenten tot Eeuwige Veranderingen
Tijdens de Verlichting, een tijdperk dat werd gekarakteriseerd door een groeiend vertrouwen in menselijke rede en vooruitgang, ontstond een idee dat het denken over de geschiedenis en cultuur voorgoed zou veranderen: het geloof dat de eigen tijd superieur was aan het verleden. Filosoof Leibniz ging zelfs zo ver als te stellen dat de bestaande wereld de beste van alle mogelijke werelden was. Dit vooruitgangsgeloof was diepgeworteld in de overtuiging dat de menselijke samenleving voortdurend vooruitging—door de bevordering van wetenschap, technologie, en sociale structuren. De vooruitgang was niet alleen een politiek, maar een moreel en intellectueel proces.
Dit optimisme werd echter ernstig getemperd door de aardbeving van Lissabon in 1755, die een ongekende verwoesting bracht aan de stad en duizenden levens eiste. De aardbeving, met zijn onverklaarbare en ogenschijnlijk zinloze natuur, daagde het heersende wereldbeeld uit. Het idee dat de wereld een ordening had die door een goddelijke kracht was bestemd, werd in twijfel getrokken. Toch bleef het geloof in vooruitgang voortleven, niet alleen in de filosofie, maar ook in de historiografie, en later in disciplines zoals de culturele antropologie en de sociologie. In de negentiende eeuw werd dit geloof verder versterkt door de opkomst van de theorie van de unilineaire evolutie van samenlevingen.
In de antropologie van de negentiende eeuw, die zich richtte op de bestudering van samenlevingen buiten Europa, ontstond het idee dat menselijke samenlevingen een vaste, lineaire ontwikkeling doormaakten van ‘primitieve’ naar ‘beschaafde’ stadia. De vroege antropologen en archeologen observeerden culturen die zij als ‘primitief’ beschouwden en tegenoverstelden deze aan de ‘complexe’ en ‘superieure’ samenlevingen van Europa. De ontdekking van de prehistorie door de archeologie versterkte dit idee, door te suggereren dat alle menselijke samenlevingen een soortgelijke ontwikkelingslijn volgden. Met behulp van de vergelijkende methode werd geprobeerd aan te tonen dat primitieve samenlevingen zich, net als het Westen, zouden ontwikkelen tot meer geavanceerde en georganiseerde maatschappijen. Deze benadering werd door velen in de historiografie als teleologisch beschouwd, en in latere tijden werd dit soort redenering vaak aangeduid als presentisme: het lezen van het verleden door de lens van het heden, waarin de ontwikkeling naar de moderne wereld als vanzelfsprekend werd aangenomen.
Het vooruitgangsgeloof in de wetenschap en geschiedschrijving werd echter aan het einde van de negentiende eeuw stevig uitgedaagd. Vooruitgang was niet langer een vanzelfsprekend pad naar een glorieus eindpunt. De theorie van culturele evolutie, die zo diep geworteld was in het denken van de negentiende eeuw, werd sterk bekritiseerd door onder anderen Franz Boas, die een radicale draai gaf aan het denken in de antropologie. Boas verwierp het unilineaire model van sociale evolutie, dat de ene samenleving als superieur beschouwde aan de andere. Hij stelde in plaats daarvan het historisch particularisme voor: een benadering die de nadruk legde op de unieke eigenschappen van elke cultuur. Elke samenleving ontwikkelde zich volgens eigen specifieke historische omstandigheden en omgevingsfactoren, zonder dat ze noodzakelijkerwijs een voorgeprogrammeerde ‘trap’ van primitief naar geavanceerd volgden. Deze theorie onderstreepte dat culturele praktijken en opvattingen niet eenvoudigweg vergeleken konden worden langs een universele lijn van vooruitgang.
Deze verschuiving in denken had grote gevolgen voor de historiografie. Door de nadruk te leggen op de historische en culturele context, begon men in te zien dat het verleden niet in termen van vooruitgang of achteruitgang moet worden begrepen. Het was essentieel om culturen en samenlevingen te begrijpen in hun eigen historische en geografische context—zonder ze te beoordelen naar de standaarden van latere tijdperken. Dit denken werd verder versterkt door de introductie van het concept mentalité door de Franse historicus Lucien Febvre. Het idee van mentalité richtte zich op de veranderende manieren van denken en beleving die door de tijd heen opkwamen. Febvre stelde dat de betekenis van bepaalde begrippen en sociale praktijken door de tijd heen veranderde en dat het belangrijk was deze veranderingen te begrijpen binnen hun specifieke tijdsgeest. Het niet onderkennen van de tijdgeest, waarschuwde Febvre, zou leiden tot misverstanden wanneer historische gebeurtenissen vanuit de huidige betekenis van begrippen werden beschreven. De mentalité bood een belangrijke invalshoek om de diepere structuren van de menselijke geest en cultuur te begrijpen.
Vanaf de jaren 1960 begon men steeds meer de beperkingen van een introspectieve, eurocentrische, en nationaal georiënteerde geschiedschrijving te erkennen. De klassieke benaderingen, die focusten op de politieke ontwikkelingen binnen de nationale grenzen van Europa, bleken te beperkt om de volle complexiteit van de wereldgeschiedenis te begrijpen. Er ontstond een breder besef dat om patronen in de geschiedenis te kunnen herkennen, samenlevingen niet afzonderlijk bestudeerd moesten worden. De nadruk verschuift naar het onderzoeken van de onderlinge wisselwerkingen en de globale netwerken van invloed die de menselijke geschiedenis hadden gevormd. Geschiedenis moest niet meer gezien worden als een verzameling van nationale, geïsoleerde gebeurtenissen, maar als een weefsel van met elkaar verbonden verhalen die zowel overeenkomsten als verschillen vertoonden.
Deze verschuiving leidde tot de ontwikkeling van een veelomvattende, transnationale benadering van de geschiedenis, die zowel globale structuren als lokale contexten in beschouwing nam. Het idee van cultuurcontact en interactie—tussen verschillende continenten, culturen, en samenlevingen—werd steeds centraler in de historiografie. In dit kader werd ook de periodisering van de geschiedenis heroverwogen. Bestaande indelingen, die vaak waren gebaseerd op nationale grenzen of de opkomst van specifieke culturen, bleken minder zinvol, omdat ze te veel uitgingen van een beperkt perspectief. De grens tussen prehistorie en geschreven geschiedenis, bijvoorbeeld, bleek niet in alle culturen even relevant, en de klassieke indeling van de wereldgeschiedenis in bepaalde perioden zoals de ‘Middeleeuwen’ of de ‘Moderne Tijd’ werd steeds meer als arbitrair beschouwd.
Tegen de achtergrond van deze ontwikkelingen wordt in de cultuurhistorie en klimatologie de nadruk gelegd op het begrip van hoe menselijke samenlevingen niet alleen hun cultuur, politiek en economie vormden, maar ook hun omgeving—de aarde zelf. Het klimaat, de ecologie, de natuur—ze waren de onzichtbare structuren waarop menselijke beschavingen werden gebouwd en waarin zij zich konden ontwikkelen of ondergaan. In deze benadering kunnen we niet langer spreken van isolatie, maar moeten we de diepgaande wisselwerkingen tussen mens en natuur onderzoeken. De ecologische geschiedenis wordt onmiskenbaar een integraal onderdeel van het verhaal van de mens, dat ons zowel inzichten biedt over het verleden als richting geeft voor de toekomst.
De geschiedschrijving van de toekomst zal wellicht veel meer dan voorheen het netwerk van menselijke en ecologische interacties begrijpen. Dit vereist een verschuiving in denken, een afwijzing van de oude ideeën over vooruitgang en uniciteit, en een herwaardering van de vele verschillende paden die samenlevingen konden volgen. Dit boek is een poging om die nieuwe horizon te verkennen—waar geschiedenis, cultuur en klimaat elkaar ontmoeten en ons helpen om niet alleen de mens, maar ook de aarde beter te begrijpen.
De Ontwikkeling van de Menselijke Samenleving
Hoewel het vooruitgangsgeloof van de Verlichting in de loop der tijd grote invloed heeft gehad op de historiografie, blijkt uit de complexiteit van de menselijke geschiedenis dat de maatschappelijke ontwikkeling niet zomaar een lineaire lijn van verbetering volgt. In plaats daarvan ontvouwen zich in de geschiedenis gelaagde processen van verandering en evolutie die altijd gepaard gaan met chaos, onvoorspelbaarheid en het emergente[1] karakter van cultuur en samenleving. De menselijke geschiedenis is, zoals het klimaat en de ecologie van de aarde, niet eenvoudig te voorspellen of te begrijpen door alleen lineaire of teleologische modellen toe te passen.
Het is onmiskenbaar dat de menselijke samenleving, gedurende de geschiedenis, steeds complexere vormen heeft aangenomen, maar dat is geen proces dat in een rechtlijnige of voorspelbare wijze heeft plaatsgevonden. Sterker nog, de geschiedenis van de mensheid is gekarakteriseerd door onvoorspelbare, zelfs chaotische, wendingen die de bredere maatschappelijke structuren vaak hervormden. Toch is het duidelijk dat de mens, door middel van een ongekende toename in sociaal en technologisch vernuft, in staat was om steeds grotere hoeveelheden energie en middelen voor eigen doeleinden aan te wenden, waardoor samenlevingen grotere en meer geavanceerde structuren konden vormen. Dit proces ging niet zonder conflicten, verstoringen en zelfs crisis, maar het leidde wel tot de opkomst van machtige staten, complexe handelsnetwerken, en de grootschalige exploitatie van natuurlijke hulpbronnen. De toename in complexiteit kan niet los worden gezien van de opkomst van nieuwe vormen van communicatie en kennisoverdracht. De menselijke capaciteit om informatie op te slaan, door te geven en op grotere schaal te verspreiden, was een essentieel onderdeel van het proces van maatschappelijke en culturele evolutie. Dit proces was geen Darwiniaanse evolutie van fysieke eigenschappen, maar eerder een Lamarckiaanse evolutie[2], waarbij kennis, ervaring en cultuur door generaties heen konden worden overgedragen, waardoor de samenleving zich steeds verder ontwikkelde en diversifieerde. De ontwikkeling van taal, schrift en later andere communicatievormen zoals drukpers en digitale technologieën, stelde mensen in staat om ideeën en kennis in toenemende mate te delen, hetgeen de vorming van grotere sociale netwerken en complexere maatschappelijke structuren vergemakkelijkte.
Door deze communicatieve vooruitgangen konden groepen steeds meer hun eigen overlevingskansen maximaliseren en in sommige gevallen hun invloed doen gelden over andere groepen. Hierdoor ontstonden er dynamieken van ongelijkheid, niet alleen binnen samenlevingen, maar ook tussen samenlevingen. Deze ongelijkheden konden op verschillende niveaus optreden: sociaal, economisch en politiek. Groepen die in staat waren om bepaalde kennis te verwerven of technologieën te ontwikkelen, verkregen daarmee een strategisch voordeel ten opzichte van andere groepen, wat leidde tot de consolidatie van macht en de opkomst van heerschappijen die grote delen van de wereld gingen beheersen. Tegelijkertijd leidde deze asymmetrie in kennis en middelen ook tot uitbuiting en sociale fragmentatie, zowel binnen als tussen samenlevingen. De dynamiek van ongelijkheid werd verder versterkt door de cumulatieve aard van culturele en technologische vooruitgang. Omdat kennis over de generaties heen werd doorgegeven en verfijnd, konden sommige samenlevingen in staat zijn om de overhand te krijgen over anderen. Dit creëerde niet alleen een vorm van hiërarchie, maar ook een soort sociale en economische oligarchie, waarin een beperkte elite profiteerde van de middelen en technologieën die voor anderen in de samenleving ontoegankelijk bleven. Zo werd kennis niet alleen het fundament voor grotere sociale structuren, maar ook het mechanisme waardoor macht en rijkdom zich concentreerden in de handen van weinigen, wat in veel gevallen leidde tot het ontstaan van sociale conflicten en onrust.
Maar deze verschuivingen in de menselijke samenleving, hoewel ze vaak als een voortgang of verbetering worden gepresenteerd, gaan niet altijd zonder een zekere mate van chaos. De toename in complexiteit en de daarbij behorende veranderingen in macht en organisatie gaan vaak gepaard met verstoringen, waarbij gevestigde systemen en tradities worden uitgedaagd en verstoord. Grote sociale veranderingen—zoals de opkomst van het kapitalisme, de industriële revolutie of de invoering van democratische ideeën—hebben niet alleen nieuwe mogelijkheden gebracht, maar ook onmiskenbare crisis- en chaotische momenten in de geschiedenis. Zo werd de opkomst van industriële samenlevingen, die hun economieën baseerden op massale energie-exploitatie en productiemethoden, ook gekarakteriseerd door sociale onrust, ongelijkheid en de verarming van grote delen van de bevolking. Het concept van emergentie speelt hierbij een belangrijke rol. Emergentie verwijst naar het idee dat nieuwe en onverwachte eigenschappen of verschijnselen voortkomen uit de interacties tussen de eenvoudige elementen van een systeem. In de geschiedenis zien we vaak dat nieuwe vormen van sociale en culturele organisatie ontstaan uit de interacties tussen mensen, ideeën, middelen en technologieën die op het eerste gezicht misschien niet samenhangen, maar die gezamenlijk leiden tot nieuwe structuren en fenomenen die onvoorspelbaar zijn. Dit maakt dat de menselijke geschiedenis niet slechts een optelsom is van individuele gebeurtenissen, maar een complex geheel van wisselwerkingen die samen tot nieuwe patronen en structuren leiden, vaak met onbedoelde of onverwachte gevolgen.
Dit proces van emergentie heeft ook zijn eigen dynamiek van durée—een begrip dat door de Franse historicus Fernand Braudel werd geïntroduceerd om de langdurige structuren van de geschiedenis te beschrijven. Terwijl de directe gebeurtenissen en veranderingen in de geschiedenis vaak het resultaat zijn van korte termijnfactoren, zoals oorlogen, revoluties of technologische innovaties, zijn het de langere, meer fundamentele krachten—zoals de geografische ligging van samenlevingen, de beschikbaarheid van natuurlijke hulpbronnen, of de institutionele structuren—die de algehele loop van de menselijke geschiedenis bepalen. Deze krachten werken op een schaal van eeuwen en millennia, en geven de geschiedenis zijn diepe, onwrikbare lagen. Het is door de studie van deze langdurige structuren, die een continue invloed uitoefenen op korte termijngebeurtenissen, dat we een completer beeld kunnen krijgen van de menselijke samenleving en haar complexiteit.
In de cultuurhistorie en klimatologie wordt duidelijk dat de menselijke beschaving altijd in wisselwerking stond met de natuur, en dat de natuur ook onvermijdelijk weer invloed uitoefent op de menselijke geschiedenis. De complexiteit van deze interacties, evenals de opkomst van nieuwe sociale en ecologische verhoudingen, is een onmiskenbare factor in de wereldgeschiedenis. We moeten begrijpen dat de menselijke geschiedenis niet alleen een product is van menselijke keuzes, maar ook van de onderliggende ecologische en klimatologische voorwaarden die aan die keuzes ten grondslag lagen. In het besef van deze complexiteit, chaos, emergentie en durée kunnen we de geschiedenis beter begrijpen en mogelijk ook lessen trekken voor de uitdagingen die voor ons liggen in de toekomst.
Complexiteit, Zelforganisatie en Emergentie in de Geschiedschrijving
Net zoals in andere vakgebieden, levert de complexiteit van de menselijke geschiedenis aanzienlijke uitdagingen op voor de geschiedschrijving. Geschiedenis is immers niet slechts een lineair verloop van gebeurtenissen, maar een dynamisch proces dat wordt gevormd door verschillende onderling samenwerkende krachten, waaronder culturele evolutie, sociale interactie, en de wisselwerking tussen samenlevingen en hun omgeving. Dit geheel van dynamische systemen past zich voortdurend aan, afhankelijk van de interne en externe factoren die de loop van de geschiedenis beïnvloeden. Een van de centrale mechanismen die ten grondslag liggen aan deze complexe ontwikkelingen is de interactie van samenlevingen met elkaar en met de natuurlijke omgeving, waarbij een cruciale rol is weggelegd voor de concepten van zelforganisatie en emergentie.
Zelforganisatie verwijst naar het proces waarbij structuren of patronen spontaan ontstaan binnen een chaotisch systeem, zonder dat er een extern sturende kracht aan te pas komt. In de context van menselijke samenlevingen kan dit bijvoorbeeld betrekking hebben op de manier waarop een samenleving zichzelf organiseert zonder dat er een centrale autoriteit of leidinggevende is. Dit kan zich manifesteren in de manier waarop markten zich ontwikkelen, hoe gemeenschappen zichzelf organiseren zonder formele staatsstructuren, of hoe technische innovaties zich verspreiden binnen een samenleving. Het belangrijkste kenmerk van zelforganisatie is dat het systeem zich in de loop van de tijd aanpast en steeds effectiever wordt in het behouden van controle over zijn eigen omgeving. Deze aanpassingsvermogen stelt een samenleving in staat om te reageren op externe uitdagingen en interne veranderingen.
Echter, zoals bij elk systeem dat zichzelf organiseert, geldt vaak dat deze processen vooral effectief zijn binnen bepaalde grenzen of randvoorwaarden. Het Goudlokje-principe – genoemd naar het bekende verhaal waarin de kleine beren zoeken naar iets dat ‘niet te veel, niet te weinig, maar precies goed is’ – is een metafoor die deze gevoeligheid voor de juiste omstandigheden goed illustreert. In een sociaal, economisch of ecologisch systeem is er vaak een precieze balans nodig tussen verschillende factoren om het systeem in stand te houden. Als de externe omstandigheden drastisch veranderen, kan het systeem moeite hebben om zich aan te passen, waardoor het zichzelf niet langer in stand kan houden. Dit kan leiden tot instabiliteit, verstoringen of zelfs de ineenstorting van sociale, politieke of economische structuren. Het fragiele evenwicht waarop systemen zich baseren, wordt dus niet altijd gegarandeerd, zelfs niet wanneer ze zich op een zelforganiserende manier ontwikkelen.
Naast zelforganisatie speelt ook emergentie een essentiële rol in de dynamiek van samenlevingen. Emergentie verwijst naar het idee dat het geheel van een systeem eigenschappen of gedragingen vertoont die niet eenvoudig af te leiden zijn uit de eigenschappen van de afzonderlijke delen waaruit het systeem bestaat. Het geheel is meer dan de som der delen. In de geschiedenis betekent dit dat de interactie tussen verschillende culturele, sociale en economische systemen nieuwe kenmerken en complexiteiten kan creëren die niet voorspelbaar zijn door alleen naar de afzonderlijke samenlevingen te kijken. Dit kan bijvoorbeeld betrekking hebben op de opkomst van wereldsystemen, zoals het handelsnetwerk van de zijderoute of de wereldwijde economie die zich in de moderne tijd heeft ontwikkeld, waar lokale en regionale krachten op een onvoorziene manier samenkomen om nieuwe structuren van macht en invloed te creëren. Deze emergente eigenschappen kunnen zowel langzaam als abrupt verschijnen. Veranderingen in de complexiteit van een systeem kunnen zich in de loop der tijd langzaam voltrekken, zoals de geleidelijke verschuivingen in economische structuren of culturele praktijken. Echter, onder invloed van bepaalde verstoringen, kunnen deze veranderingen plotseling en dramatisch plaatsvinden. Dit is het concept van aggregate complexity – de idee dat kleine veranderingen in de componenten van een systeem, wanneer ze zich opstapelen, kunnen leiden tot grote, onverwachte verschuivingen in het systeem als geheel. Het bekendste voorbeeld van dit fenomeen is het vlindereffect, een term geïntroduceerd door de meteoroloog Edward Lorenz, die de gevoeligheid van chaotische systemen voor kleine veranderingen in hun begincondities illustreerde. In de context van de geschiedenis kan een ogenschijnlijk onbeduidende gebeurtenis, zoals een handelsverdrag of een lokale opstand, grote en onvoorspelbare gevolgen hebben voor het verloop van wereldgeschiedenis, doordat het zich via het netwerk van interacties in onverwachte richtingen ontwikkelt. Deze complexiteit en de emergente eigenschappen die uit de interactie tussen samenlevingen en hun omgeving voortkomen, maken het bestuderen van geschiedenis tot een uitdagende onderneming. Het erkennen van de complexiteit van deze systemen dwingt ons om verder te kijken dan de traditionele, lineaire geschiedschrijving, die vaak gefocust is op individuele gebeurtenissen of welbepaalde causale verbanden. In plaats daarvan moeten we ons richten op de bredere netwerken van interactie, de onderliggende structuren van macht en invloed, en de wijze waarop kleine veranderingen zich kunnen opstapelen en onverwachte veranderingen teweegbrengen.
Als cultuurhistoricus en klimatoloog moeten we deze dynamieken in onze benadering van de geschiedenis integreren, vooral wanneer we kijken naar de interactie van menselijke samenlevingen met hun natuurlijke omgeving. De manier waarop samenlevingen omgaan met ecologische systemen, bijvoorbeeld de wijze waarop ze natuurlijke hulpbronnen benutten of zich aanpassen aan klimaatveranderingen, is cruciaal voor het begrijpen van hun opkomst, bloei en ondergang. Wat dit proces bovendien verder bemoeilijkt, is de wisselwerking van natuurlijke en culturele systemen op verschillende schalen. De geschiedenis van de mensheid is dus niet slechts een verhaal van menselijke keuzes en handelen, maar ook van de complexe relaties tussen menselijke samenlevingen en hun omgevingen, die altijd aan verandering onderhevig zijn.
In dit licht moeten we geschiedenis niet enkel begrijpen als een lineair proces van vooruitgang, maar als een dynamisch, zelf organiserend en emergent systeem dat steeds in interactie staat met de omringende natuur en de bredere sociale structuren. Het inzicht in deze complexiteit zal ons niet alleen helpen de geschiedenis van de menselijke samenleving te begrijpen, maar ook hoe we ons kunnen verhouden tot de wereld om ons heen in de toekomst.
De Dynamiek van Geschiedenis: Van Korte tot Lange Duur
Het dynamische karakter van menselijke samenlevingen, en het proces van historische verandering, is vaak moeilijk te vatten en te herkennen, vooral wanneer we ons richten op de gebeurtenissen en verschuivingen die zich in de kortere tijdsbestekken manifesteren. De Franse historicus Fernand Braudel biedt een diepgaand inzicht in deze complexiteit door de geschiedenis op te delen in verschillende niveaus van tijdsbeleving, die elkaar vaak overlappen maar toch elk hun eigen kenmerken en invloed hebben. Braudel onderscheidt drie fundamentele tijdschaalconcepten: de courte durée, de moyenne durée en de longue durée, elk met zijn eigen dynamiek en impact op het verloop van de geschiedenis.
De Courte Durée: Het Rijk van de Evenementen
De courte durée of de evenementiële geschiedenis omvat de kortstondige, intensieve gebeurtenissen die vaak als de meest opwindende en zichtbare in de geschiedschrijving worden beschouwd. Het is de tijd van de oorlogen, de revoluties, de politieke verschuivingen, de machtswisselingen en de economische conjuncturen. Dit is de periode waarin de acties van individuen of groepen direct zichtbare gevolgen hebben en de koers van de geschiedenis op korte termijn bepalen. Op het eerste gezicht lijkt de courte durée de motor van de geschiedenis te zijn, het moment waarop de geschiedenis wordt ‘gemaakt’ door de krachtige invloed van leiders, oorlogen en revoluties die op hun beurt de maatschappelijke en politieke structuren hervormen.
Toch is het belangrijk te beseffen dat deze gebeurtenisgerichte dynamiek, hoewel het op dat moment bepalend lijkt, op de lange termijn niet altijd een blijvende impact heeft. De snelle wisselingen van regeringen, de uitbarstingen van politieke crises of de plotselinge veranderingen in het wereldtoneel kunnen tijdelijke, vaak explosieve effecten hebben, maar de onderliggende structuren van samenlevingen blijven vaak onaangetast, zelfs nadat deze specifieke gebeurtenissen voorbij zijn. Historische analyses moeten daarom niet alleen gericht zijn op de snelle verschuivingen die zich op dit niveau voordoen, maar ook het bredere, langduriger effect van dergelijke gebeurtenissen binnen de grotere context van sociale en culturele verandering onderzoeken.
De Moyenne Durée: De Sociaal-Economische Tijd
De moyenne durée betreft de sociaal-economische tijd en vertegenwoordigt een dynamiek die veel meer structuur en stabiliteit vertoont dan de vluchtige veranderingen van de courte durée. In dit tijdskader spelen cyclische veranderingen een belangrijke rol: technologische innovaties, economische transformaties, demografische verschuivingen en de evolutie van sociale systemen ontwikkelen zich in een langzamer tempo. Veranderingen op dit niveau zijn vaak geleidelijk en kunnen generaties lang doorgaan, waardoor de individuen in een samenleving een zekere illusie van permanentie ervaren. Deze illusie is vaak het gevolg van het feit dat grote veranderingen niet onmiddellijk zichtbaar zijn binnen de levensloop van een individu of de duur van een enkele generatie.
Tradities, bijvoorbeeld, worden vaak als veel ouder beschouwd dan ze in werkelijkheid zijn. Dit proces werd onderstreept door de Britse historicus Eric Hobsbawm en de socioloog Terence Ranger, die het concept van ‘uitgevonden tradities’ introduceerden. Veel tradities die door samenlevingen als eeuwenoud worden beschouwd, blijken in werkelijkheid relatief recente uitvindingen te zijn, die in reactie op sociaal-politieke veranderingen werden gecreëerd. De sociaal-economische tijd in de moyenne durée onthult daarmee niet alleen de langzame voortgang van technologische vooruitgang, maar ook de manier waarop samenlevingen hun eigen verleden construeren om stabiliteit en continuïteit te suggereren, ook als de realiteit van deze stabiliteit niet volledig overeenkomt met de feitelijke geschiedenis.
De Longue Durée: De Geografische en Klimatologische Tijd
De longue durée, de langetermijnhistorie, is misschien wel het meest fundamentele, maar ook het meest onzichtbare niveau van tijd binnen de menselijke geschiedenis. Dit tijdsframe wordt gedomineerd door diepgaande geografische en klimatologische veranderingen die over eeuwen en millennia plaatsvonden. Deze veranderingen kunnen ingrijpende gevolgen hebben voor menselijke samenlevingen, zoals het veranderende klimaat, de verschuiving van continenten, de verwoesting van ecosystemen, en de veranderende biodiversiteit. Het is in deze lange tijdschaal dat de meest fundamentele en onomkeerbare veranderingen in de geschiedenis plaatsvinden, maar vaak zonder dat de tijdgenoten zich hiervan bewust zijn.
Bijvoorbeeld, de verschuivingen in het klimaat die leidde tot de opkomst en ondergang van oude beschavingen, zoals de droogte die het ontstaan van de Mesopotamische beschaving beïnvloedde of de veranderingen in het landschap van het Mediterrane gebied, zijn zaken die slechts in de lange duur zichtbaar worden. Toch blijft het moeilijk voor tijdgenoten om dergelijke diepgaande en langzaam werkende processen te herkennen, omdat ze niet onmiddellijk zichtbaar zijn in de dagelijkse ervaring van de mens. Tegelijkertijd moet er een waarschuwing klinken tegen het gevaar van ecologisch determinisme, de veronderstelling dat geografische en klimatologische factoren altijd de belangrijkste drijfveren zijn voor historische veranderingen. Geschiedenis is altijd het product van een complexe wisselwerking tussen cultuur, politiek, economie en de natuurlijke wereld, waarbij geen enkele factor volledig bepalend is.
De Dynamiek van Geschiedenis in Meerdere Tijdschalen
Braudel’s indeling in de courte durée, moyenne durée en longue durée biedt een raamwerk voor het begrijpen van de dynamiek van menselijke samenlevingen in verschillende tijdschalen. Dit stelt ons in staat om te erkennen dat de geschiedenis van een samenleving niet kan worden verklaard door alleen de gebeurtenisgerichte benadering van de courte durée, noch volledig door de sociaal-economische veranderingen van de moyenne durée. Het is pas door de integratie van deze verschillende tijdschaalperspectieven dat we een vollediger en dieper begrip krijgen van de krachten die samenlevingen vormgeven en hun reacties op de uitdagingen van hun omgeving.
Als cultuurhistorici en klimatologen moeten we deze verschillende niveaus van tijd zorgvuldig in overweging nemen bij het bestuderen van de menselijke geschiedenis. Onze analyse moet niet alleen de onmiddellijke gebeurtenissen die een samenleving beïnvloeden, maar ook de langzame processen van economische en sociale verandering en de diepere, structurele invloeden van geografie en klimaat omvatten. Alleen door het combineren van deze verschillende dimensies kunnen we een dieper inzicht krijgen in de manier waarop menselijke samenlevingen zich aanpassen aan en beïnvloed worden door hun omgeving, zowel op korte als op lange termijn.
[1] Een emergent verschijnsel ontstaat uit de onderlinge wisselwerking van componenten onder bepaalde omstandigheden en heeft eigenschappen die niet in de individuele onderdelen aanwezig zijn. Dit verschijnsel kan zowel permanent (sterke emergentie, zoals de vorming van moleculen) als tijdelijk (zwakke emergentie, zoals een zwerm spreeuwen) zijn, waarbij het later weer uiteenvalt in zijn oorspronkelijke componenten. Het geheel is dus meer dan de som van de delen.
[2] Lamarckisme is de verouderde theorie die stelt dat een organisme verworven kenmerken tijdens zijn leven kan doorgeven aan zijn nakomelingen. Deze theorie, voorgesteld door de Franse bioloog Jean-Baptiste Lamarck in de 19e eeuw, werd later verworpen na de opkomst van Charles Darwins theorie van natuurlijke selectie.
Waarom dit boek nú belangrijk is
We leven in een tijd waarin klimaat opnieuw het wereldtoneel hervormt. Migratiestromen, geopolitieke spanningen, en economische kwetsbaarheid worden allemaal mede beïnvloed door veranderende klimaatomstandigheden. De geschiedenis kan ons helpen begrijpen dat dit niets nieuws is — en juist daarom zo urgent. Het verleden is geen handleiding, maar wel een waarschuwing.
Door te laten zien hoe onze voorouders omgingen met klimaatrampen, hoop ik bij te dragen aan een breder historisch bewustzijn. Niet alleen onder wetenschappers, maar ook onder beleidsmakers, docenten en geïnteresseerde lezers.
Tot slot
Ik nodig je van harte uit om Klimaat en Cultuur te lezen, te bespreken en te bekritiseren. Laat me weten wat je ervan vindt, stel vragen, en denk mee over toekomstige onderwerpen. Dit boek is niet het einde van een zoektocht, maar eerder een beginpunt voor verdere dialoog.
Wil je op de hoogte blijven van lezingen, interviews of podcasts? Schrijf je dan in voor mijn nieuwsbrief of volg me via mijn auteurspagina.
“De natuur maakt geen onderscheid tussen tijdperken, maar de mens doet dat wel — vaak pas als het al te laat is.”

Leave a Comment