In het gewest Groningen, waar de uitgestrekte kleigronden en kronkelende maren de adem van de geschiedenis bewaren, werd op een winterse dag in 1752 Onno Reint Alberda van Ekenstein geboren. Zijn naam, geworteld in het oude adellijke geslacht Alberda, droeg de echo’s van een familie die generaties lang de lotgevallen van stad en platteland had medebepaald. In de schaduw van het familiegoed Ekenstein groeide hij op te midden van de tradities en verantwoordelijkheden die de Groninger landadel sinds eeuwen kende.
Geridderd als ‘Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw’
Zijn loopbaan voltrok zich in de bestuurlijke kringen van de Republiek, in een tijd waarin de oude structuren begonnen te kraken onder de druk van nieuwe denkbeelden. Aanvankelijk werd hij opgenomen in de Gecommitteerde Raden, waar hij zich bewoog tussen de ingewikkelde rekenboeken en politieke afwegingen die het gewest bestuurden. Daarna nam hij zitting in de Provinciale Rekenkamer van Groningen, een functie die hem vertrouwd maakte met de administratieve fundamenten van de Republiek en de altijd schaarse middelen waarmee de provincies hun soevereiniteit trachtten te handhaven.
Zijn invloed groeide, en in 1784 trad hij toe tot de Gedeputeerde Staten van Groningen, waar hij de belangen van zijn gewest behartigde, niet enkel binnen de provincie zelf, maar ook in de Generaliteitsrekenkamer, waar de financiën van de hele Unie werden bewaakt. Hij maakte die jaren van nabij mee hoe de politieke rust steeds verder afbrokkelde en hoe de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden wankelde onder interne strijd en buitenlandse druk. De revoluties die Europa in vuur en vlam zetten, deden ook hier hun werk, en in 1795, met de komst van de Bataafse Republiek, werd zijn rol in het bestuur beëindigd. De woelingen van de Franse tijd brachten nieuwe orde, maar ook nieuwe onzekerheden. In de herstructurering van het staatsbestel na de val van Napoleon vond Alberda van Ekenstein opnieuw zijn plaats in de publieke zaak. Op 2 mei 1814 trad hij toe tot de herrezen Staten-Generaal der Verenigde Nederlanden, waar hij deel uitmaakte van de beraadslagingen die het lot van het herstelde koninkrijk bepaalden. Na de grondwetswijziging van 1815 nam hij zitting in de Eerste Kamer, waar hij tot aan zijn dood in 1821 de belangen van zijn gewest en stand bleef dienen. Zo voltrok zich het leven van een man die, zonder de felle glans van een veldheer of een revolutionair, een van de vele onmisbare schakels vormde in de bestuurlijke continuïteit van de Lage Landen. In een tijd van verval en wederopbouw was hij een man van de administratie, een behoeder van het oude en een stille getuige van het nieuwe, die zijn dagen besloot op het land van zijn voorvaderen, in het Groningse Tjamsweer, waar de tijd langzamer scheen te gaan dan in de wereld die hij diende.
In de zomer van 1772 voltrok zich in Groningen een huwelijk dat niet slechts een verbintenis tussen twee geslachten betekende, maar tevens de wortels sloeg voor een dynastie die haar sporen zou nalaten in de vaderlandse historie. Alberda van Ekenstein, telg uit een oud geslacht dat de Groninger klei al generaties lang bewoonde, verbond zich op 3 juli in de echt met Maria Albertina van Berchuys. In de beslotenheid van hun huis Ekenstein, gelegen te Tjamsweer, bouwden zij aan een leven dat zich niet slechts in de beslotenheid van het familiedomein afspeelde, maar door de lotgevallen van hun nageslacht verstrengeld raakte met de grotere geschiedenis van Nederland.
Acht kinderen ontsproten aan dit huwelijk, onder wie Willem Alberda van Ekenstein (1792-1869), een man die, evenals zijn voorvaderen, de naam van zijn geslacht met waardigheid droeg. De familiebanden reikten ver en diep: via huwelijk en afstamming verweefde de familie Alberda zich met andere vooraanstaande geslachten. Zo werd Alberda van Ekenstein schoonvader van Antoon Anne van Andringa de Kempenaer en via hem grootvader van Tjaard Anne Marius Albert van Andringa de Kempenaer en Onno Reint van Andringa de Kempenaer.
Niet slechts namen en titels bepaalden de plaats van dit geslacht in de samenleving, maar de wijze waarop zij de tradities en verantwoordelijkheden van hun stand droegen. In de zalen van huis Ekenstein, waar het licht van kaarsen weerkaatste op de gebeeldhouwde balken, voltrok zich de langzame aaneenschakeling van generaties, ieder met zijn eigen rol in de geschiedenis, doch allen geworteld in een traditie die hen met het verleden verbond en de toekomst vormgaf.





Leave a Comment